}

Afstudeeronderzoek Robic Trainers

Deel 3: Lars en calorieën tellen tijdens de Giro

De trainers van Robic hebben niet alleen een uitgebreide praktijkervaring in het wielrennen, maar veel belangrijker nog een academische achtergrond in Bewegingswetenschappen. Daarom leek het ons eens leuk alle trainers van Robic nog eens hun afstudeerscriptie uit de kast te laten pakken en kort te beschrijven waar het ook al weer over ging. Zo leer je onze trainers en hun achtergrond nog beter kennen en met een beetje geluk hebben we er als wielrenner ook nog iets aan.

In het 3 deel Lars Lambriks die onderzoek deed aan de Universiteit van Maastricht onder leiding van Dr. Guy Plasqui naar het energieverbruik van de renners van Team Lotto NL-Jumbo tijdens de Giro d’Italia.

Uitgeputte wielrenners die voorraden pasta, energierepen en pindakaas naar binnen werken na de zoveelste slopende etappe in één van de drie Grand Tours. Het is een bekend beeld, en een logisch gevolg van de extreme inspanningen die drie weken lang worden verricht. Energie dat verbruikt wordt, moet immers ook weer worden aangevuld. Toch zijn hierover nog veel vragen binnen de wetenschappelijke literatuur. Want hoeveel energie verbruiken renners nu daadwerkelijk tijdens een koersdag? En vooral: wat maakt dat de ene renner meer energie verbruikt dan de ander?

Ieder pondje…

Het compenseren van het dagelijks energieverbruik met voldoende voeding is cruciaal voor de prestatie tijdens een meerdaags evenement. Koolhydraatvoorraden in de lever en spieren moeten immers weer worden aangevuld om de volgende dag optimaal te kunnen presteren1. Studies laten ook zien dat ondercompensatie van energieverbruik het risico verhoogt op overreaching2, afnames van spiermassa3 en een verlaagde afweer tegen ziekte3. Eten dus! Maar hoeveel dan precies? Je wilt immers ook niet aankomen tijdens de belangrijkste race van het jaar.

Ondanks dat professionele wielerploegen beschikken over een arsenaal aan technologische apparatuur, is het inschatten van het dagelijkse energieverbruik nog steeds een heikel punt. Binnen een laboratorium kun je energieverbruik meten aan de hand van ademgasanalyse, maar daar is apparatuur voor nodig en dat krijg je moeilijk mee op de fiets. Er bestaan formules om het verbruik te schatten op basis van de geleverde inspanning, bijvoorbeeld met de data van een fietscomputer, maar deze zijn mogelijk niet geschikt voor topsporters en houden ook geen rekening met individuele fysieke verschillen.

De thesis

Voor mijn masterthesis is gebruik gemaakt van een duur en moeilijk uitvoerbaar alternatief, maar wel een heel betrouwbare. De methode: dubbel gelabeld water. De proefpersonen: de renners van Team Lotto NL-Jumbo tijdens de Giro d’Italia 2014. Renners kregen één keer per week een drankje met daarin zogenaamde isotopen. Door in het verloop van de week telkens de ochtendurine van de renners te meten op de aanwezigheid van deze isotopen, is het mogelijk om te achterhalen hoeveel energie in de tussenperiode is verbruikt.

Gemiddeld verbruikten de renners tijdens de Giro meer dan 8000 kilocalorieën per dag. Ter illustratie: dat zijn 90 bananen of 12 borden pasta carbonara! Interessanter is echter dat we grote verschillen in energieverbruik vonden tussen renners. Logische factoren die invloed zouden kunnen hebben, zoals lichaamscompositie en geleverde inspanning (aan de hand van intensiteitszones), bleken slechts deels een verklaring te bieden.

Hoe nu verder?

Idealiter had mijn masterthesis geresulteerd in een prachtige formule waarin de individuele gegevens van een renner en de data van zijn inspanning zouden leiden tot een bepaald aantal verbruikte calorieën. De plaatselijke chefkok kon dan precies uitrekenen hoeveel iedere renner zou moeten eten om zijn energieverbruik precies te compenseren. Helaas is voor een dergelijke formule nog meer onderzoek nodig. Interessant is wel de volgende conclusie: wanneer renner A en renner B exact dezelfde lichaamscompositie hebben, exact dezelfde inspanning leveren tijdens en naast de koers, is het alsnog mogelijk dat renner A een hoger energieverbruik heeft dan renner B, of andersom. Op z’n minst een goed excuus voor de renner die nog een extra portie wilt opscheppen.

  1. Burke LM, Kiens B, Ivy JL. Carbohydrates and fat for training and recovery. Journal of sports sciences. 2004;22(1):15-30.
  2. Halson SL, Jeukendrup AE. Does overtraining exist? Sports medicine. 2004;34(14):967-81.
  3. Association AD. Position of the American dietetic association, dietitians of Canada, and the American college of sports medicine: nutrition and athletic performance. Journal of the American Dietetic Association. 2000;100(12):1543-56.